Aan alles komt een eind.

Zo ook aan jaargang 2021 in de duivensport. Tijd om na te denken over verschillende zaken die zich dit jaar hebben afgespeeld. Het begin was, door de Duitslandvluchten, een dikke tegenvaller. Alleen met een behoorlijke groep, met een behoorlijk aantal duiven, aan africhting deel genomen. De afdeling weet volgens mij niet om welke aantallen het hier gaat. Overigens verliepen ook deze africhtingen niet helemaal vlekkeloos. Dat moet worden gezegd. Om een duidelijke mening te krijgen heb ik AS een mail gestuurd. Hoe hij tegen onze Duitslandvluchten aan kijkt. Volgens hem is vliegen vanuit Zuid/Zuidoost (Limburg e.d.) geen probleem. Ga je meer in Oostelijke richting, en dan met name op korte afstanden met een Westenwind, is S. van mening dat dit dodelijk kan zijn. Het is volgens hem niet voor niets dat bekende liefhebbers als P.J. en W.L. in Nederland hun heil hebben gezocht voor wat betreft de vliegrichting. 

Stroef.

Na de Zuid/Zuidoostlijn werd de normale richting met oude duiven weer opgepakt. Zoals we allemaal weten heeft dat voor onze afdeling soms verkeerd uitgepakt. Vluchten van goed 350 kilometer stonden langer dan gemiddeld open. Daarnaast bleven op enkele vluchten een behoorlijk aantal duiven achter. Met name Sens zal veel liefhebbers nog lang in het geheugen blijven zitten. We leven in een tijd dat vitessevluchten meer dan gemiddeld open staan. Een half uur op een vlucht van 100 kilometer. Waar is de tijd gebleven dat je hard moest fluiten om duiven uit een koppel te krijgen. Een paar rondjes extra en het kampioenschap was weg. Nee, een poetsbeurt en dan op de klep betekent tegenwoordig nog steeds op de uitslag.  Overigens bleef mijn vraag, “Waarom richt je de jongen niet af op het Duitse Meppen” nog steeds onbeantwoord.  Toch vreemd.

De jongen.

Liefhebbers zijn tegenwoordig bang om jongen te spelen. Steeds wordt het begin vooruit geschoven waardoor instappen moeilijker wordt. Ikzelf ben ook niet zo’n liefhebber die meteen aan alles mee doet. Het woord “moeten” in de duivensport vind ik niet meer van deze tijd. Het zou vervangen moeten worden door mogen. Mee doen terwijl het beter was om niet mee te doen zie je vaak.  Onduidelijk is troef. Verliezen met oude duiven en ervaringen uit het verleden zet liefhebbers aan het denken. Het gevolg is dat op termijn liefhebbers duiven hebben met nagenoeg geen ervaring. De kreet, “ik breng ze zelf wel weg” is veel gehoord. Met alle gevolgen van dien. In mijn optiek moeten jonge duiven zeker een keer of 4, 5 in de container hebben gezeten om enigszins iets aan ervaring op te doen. Doe je dit niet dan is mee doen in 2022 een kansloze missie. In 2020 had ik een ploegje die alleen de navluchten hadden gezien. Ook hier vielen in het begin een behoorlijk aantal weg. Te weinig ervaring of nog erger, geen kwaliteit. Dit laatste speelt natuurlijk ook een grote rol en dat wordt door veel liefhebbers nu eenmaal niet gezien. 

Africhten.

Ook hier verschillen de meningen. De een begint vroeg en brengt veelvuldig de jongen weg. Een ander begint later en gaat slechts enkele keren op pad. Wat ik wel weet is dat duiven “iets” mee gemaakt moeten hebben. Goed voor het zelfvertrouwen later. Iedere keer in een koppel snel naar huis is niet iets waar je op moet zitten te wachten. Kijk maar op sociale media. Negen keer de duiven weg, iedere keer voor mij terug. En dan de 10e keer gaat het mis en blijft soms meer dan de helft weg. Hoe kan dit? Kwestie van geen zelfvertrouwen denk ik. Vriend K. en ik zitten de laatste tijd de 4e keer op 40, 50 kilometer. Meest duurt het een eeuwigheid voordat het spul terug is. Maar ze moeten zoeken. Soms over de hele dag komen ze thuis. K. heeft nu een koppeltje late jongen. Die moeten toch wat leren.  Voor goed een week voor de eerste keer in de mand. Afgelopen weekend voor het eerste mee in een grote groep. Volgens mij waren zaterdagavond de meeste weer terug. Het kan dus wel.  “Vaok bun ie te bange”zeggen ze bij ons. 

Bladwijzer de permalink.

Reacties zijn gesloten.